De trapeze
bibliografie verhalen bekroningen vertalingen recensies
Auteur: proza en ill. Tonke Dragt ; poëzie van Han G. Hoekstra
ISBN:
Deze titel is: Niet meer leverbaar
Uitgeverij: Noordhoff
Eerste uitgave in: 1967
samenvatting
De trapeze is een reeks originele verhalen en gedichten voor de lagere school uitgegeven door Noordhoff.
verhalen
De Bonte Pijper (blz. Trapeze: 7-23, schrikkelboek: 123-139)
Hij was van ver gekomen, onder het licht van de sterren. De man loopt door de stad, maar hij vindt het maar vreemd. De huizen zien er raar uit, mensen kijken naar een glazen venster, er rijden vreemde voertuigen rond. Na een poosje begrijpt hij het.
Hij gaat naar het gemeentehuis, waar de gemeenteraad net aan het vergaderen is ovr de verkeersoverlast. De raad komt er niet uit, maar de man, die zich de Bonte Pijper noemt, biedt aan om hen te bevrijden van het verkeer - zoals hij Hameln vele eeuwen geleden al bevrijdde van de ratten. Hij vraagt het hele budget voor verkeerszaken, en de raad accepteert dat.
De volgende ochtend, tijdens het spitsuur, bespeelt de Bonte Pijper zijn fluit. Alle auto's volgen hem, de stad uit. Er ontstaat een grote kettingbotsing. Alle auto's raken vernield, maar niemand is gewond. De mensen zijn woedend, de gemeenteraad ook. Ze willen de Bonte Pijper zijn beloning niet geven. Maar een wethouder herinnert zich Hameln, en de kinderen worden goed in de gaten gehouden. Een poosje.
Na een tijdje slaat de Bonte Pijper toe. Hij speelt, maar er is geen kind dat hem volgt. Iedereen kijkt naar de televisie. Als de Bonte Pijper dat begrijpt, begint hij voor de antennes te spelen. Op de televisie komen vreemde kleuren, en de kinderen gaan er dingen in zien: sprookjestaferelen. En een berg, waar een stoet kinderen naar toe loopt. Dan springen alle televisies kapot, en de kinderen gaan de straat op, de Bonte Pijper achterna. De burgemeester gaat hen achterna, maar de Bonte Pijper was toch op weg naar nergens: er bestaan geen eenzame plaatsen meer, geen avontuur. Hij laat de kinderen weer gaan, ze kunnen veilig spelen in de straten. Maar hij belooft dat hij terug zal komen.
De robot van de rommelmarkt (blz. 48-73)
Hoewel bijna alles geautomatiseerd is, doet de 11-jarige Edu het op school niet goed. Hij droomt steeds weg. Bovendien is de robot thuis kapot, dus die heeft zijn huiswerk niet kunnen maken. Zijn ouders zijn ook zo ouderwets: ze hebben maar één robot! Bovendien vinden ze dat Edu maar moet lopen. Maar daardoor heeft hij wel de rommelmarkt ontdekt. Daar vindt hij een oude robot. Die werkt niet meer zo goed, maar Edu koopt hem toch.
Edu repareert Bob - zo heet de robot - zelf. Bob is heel oud, en er is iets mis met zijn geheugen. Hij kent een gedichtje over wouden, die als vuur zo heet zijn. Maar op aarde zijn geen wouden meer. Edu geeft Bob voetrollers, zodat hij weer voort kan bewegen.
Omdat Edu Bob voor zichzelf wil houden, moet Bob ook zijn huiswerk maken. En dat kan hij niet, dus moet Edu hem zelf allerlei dingen leren, zoals vermenigvuldigen. Hij is al zijn vrije tijd kwijt met zijn robot. Hij verbetert hem, hij leert hem dingen. Bij de man op de rommelmarkt koopt hij steeds nieuwe elementen, zodat Bob nog meer kan leren. Edu leert ook lezen, zodat hij Bob dat dan kan leren.
Een maand later, op school, ontdekt hij dat hij iets doms heeft gedaan: hij heeft geen robot meer nodig, want hij kan zelf rekenen en lezen. Dan, als hij zijn robot een boek geeft over het hemelruim, begeeft deze het. Hij is niet meer te repareren. Hij ontdekt dat de man op de rommelmarkt de maker van Bob is. En daar realiseert Edu zich dat hij zelf alles kan wat Bob kon - en nog meer. Omdat hij zoveel weet, mag hij naar de Hogere School. Hij neemt zich voor ruimtevaarder te worden, zodat hij kan ontdekken waar die wouden zijn, als vuur zo heet.
De tijd zal het leren (blz. 28-40)
De student heeft in het huis van de klokkenmaker een kamer gehuurd. Hij komt vaak bij de klokkenmaker in de werkplaats, waar ze babbelen, omringd door klokken van allerlei soort. Er staat ook een ultramoderne klok.
De student studeert geschiedenis. Volgens hem kun je leren van het verleden. De klokkenmaker vraagt zich af of je ook van de toekomst kunt leren. En waarom zou je niet iets kunnen maken waarmee je door de tijd reist? De student gelooft niet in Tijd-machines, maar de klokkenmaker blijkt er al mee bezig te zijn: de ultramoderne klok is helemaal geen klok. De klokkenmaker legt uit hoe je hem moet bedienen.
Een week later vraagt de student wanneer de klokkenmaker de Tijd-klok gaat gebruiken. De klokkenmaker wil eerst zeker weten dat de klok werkt. Tijdreizen zijn niet zonder gevaar: als je het verleden verandert, verandert het heden mee. Daarom houdt de klokkenmaker zich liever met de toekomst bezig.
De student is zenuwachtig over een examen, de volgende dag. Had hij maar harder gewerkt! Als hij merkt dat de klokkenmaker er niet is, besluit hij een reisje te maken naar een tijdstip vlak na het examen, zodat hij weet of hij zal slagen. Hij gaat in de Tijd-klok zitten, en stelt de tijd in. De klok begint te trillen, er gebeurt van alles. Dan klinkt er een klap, de klok schudt, de lampjes gaan uit. De klok staat stil.
Als hij uit de klok stapt, is het donker. Waar is hij? In welke tijd is hij beland? Dan hoort hij de stem van de klokkenmaker. De student bekent dat hij de Tijd-klok gebruikt heeft. Maar hij werkt niet: het is pas tien minuten geleden dat hij de deur dicht deed. Maar het lijken wel uren... De klokkenmaker vindt dat zijn klok het toch wel een beetje doet: om tien voor negen begon de student aan zijn reis naar de toekomst. En nu is het tien minuten later! De Tijd is een wonderlijk Iets. De klokkenmaker gaat de klok repareren. Wat hij er mee gaat doen weet hij nog niet. De Tijd zal het leren.
Waar wouden zijn... (blz. 76-92)
Ruimtevaarder Elf vliegt boven Venus, de heldere planeet die altijd in wolken is gehuld. Het is de tweede keer dat hij op Venus is gestationeerd. Hij had er zelf om gevraagd. Anderen vonden hem gek, maar hij is dol op de wouden. Ze doen hem denken aan de robot die hij ooit had.
Hij vliegt te langzaam. Het Hoofdkwartier draagt hem op sneller te vliegen, maar de ruimtevaarder vliegt expres langzaam en laag, om de wouden goed te kunnen zien. Ze zijn gevaarlijk, dat weet hij: ze tasten alles aan. Dan merkt hij dat zijn ruimteschip niet harder kan. Hij moet landen. Gelukkig heeft hij extra goede spullen bij zich. Hij was op alles voorbereid. Hij wil door het woud wandelen, naar de koepel toe. Het Hoofdkwartier is woedend, maar kan er niets tegen doen.
Hij begint te lopen, en vind een soort pad. Hij heeft wel het gevoel dat hij het steeds warmer krijgt in zijn ruimtepak. Hij krijgt zin om het uit te trekken, maar dat is een gevaarlijke gedachte. Dan begeeft zijn radio het. Uiteindelijk valt Edu neer en verliest het bewustzijn.
Als hij weer bijkomt, heeft hij zijn ruimtepak niet meer aan. Vreemd genoeg voelt hij zich prima. Dan wordt hij aangesproken door een vreemd wezen, geen mens. Het zegt dat Edu het pak direct uit had moeten trekken. Het spreekt zijn taal, hij heeft het geleerd door de luisteren. Hij heet Firt, en is een Man van Venus. Hij blijkt gedachten te kunnen lezen. Edu vindt dat geen prettige gedachte, al kan hij zich voorstellen dat het prettig is. Firt wijst hem de weg naar de koepel. Edu mag terugkomen wanneer hij wil. Ongedeerd komt hij terug bij de koepel, waar hij wordt bestormd met vragen. Hij heeft veel uit te leggen.